Het Woord is vlees geworden - De Proloog van Johannes

Waar de evangelisten Mattheüs en Lukas vertellen over de geboorte van Jezus, heeft Johannes zijn proloog. Het leest als een nieuw scheppingsverhaal als hij zijn hoorders en lezers verkondigt dat het Woord vlees geworden is.

Het Woord is vlees geworden
Letterlijk staat er in het Grieks: In het begin was de Logos en de Logos was bij God en God was de Logos.
Op het eerste gezicht doet de keuze van Johannes om zijn Evangelie zo te openen een verwantschap vermoeden met de Griekse filosofie. Misschien probeert hij op deze manier zijn hoorders en lezers in Klein-Azië te boeien en te interesseren voor zijn boodschap. De Logos is immers een bekend begrip. God wordt in het neoplatonisme beschreven als een onpersoonlijke macht, omschreven als Νους, gedachte, verstand en ook wel Licht. Deze goddelijke Nous heeft de wereld geschapen door middel van het Woord, de Logos. Anders gezegd: God is Licht en het licht van God straalt bij de schepping over de oceaan van duisternis. De straal van het licht is de Logos, en die straal wordt door de duisternis niet geabsorbeerd, maar andersom, de duisternis wordt gedwongen vorm aan te nemen. Het lijkt er inderdaad op, maar het is nog maar de vraag of Johannes in zijn proloog wel zo aan schuurt tegen het logos-begrip van de filosofie. Want de wegen van Johannes enerzijds en de Griekse filosofie anderzijds, scheiden als Johannes zegt dat de Logos vlees geworden is. Hij is ingedaald in het bestaan van Israël. De Logos van de filosofen zal nooit mens worden. Hij zal de mens omhoogvoeren en juist bevrijden van het vlees. We zien dat Johannes in zijn brieven ook van leer trekt tegen deze zogenaamde gnostiek. ‘Hieraan leert u de Geest van God kennen: elke geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en elke geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is niet uit God; maar dat is de geest van de antichrist, waarvan u gehoord hebt dat hij komt en die nu al in de wereld is’ (1 Joh. 4:1-3).

In het Jodendom aan het begin van onze jaartelling zien we een sterke neiging om de naam van God niet te gebruiken. God is zo verheven is dat je over Hem eigenlijk niet meer in menselijke beelden kunt spreken.
In de vertaling van de Targum zien we dat als God zich openbaart of verschijnt, men daarover op een indirecte manier spreekt, de Kabod, de heerlijkheid van God. Of je leest dat de Shechina, de Lichtglans zich openbaarde. Die heerlijkheid of Shechina is niet iemand of iets anders dan God. Het is de uitdrukking van Gods wezen. En zo gebruikt de Targum het woord Memra, Woord, dat in het Grieks vertaald wordt met Logos. Memra komt alleen al in de Targum Neofiti meer dan driehonderd keer voor. Zo lezen we in Genesis 18 dat het niet de Heere was die Abraham bezocht met twee engelen, of toch ook weer wel, maar dan in de gestalte van de Memra: ‘En de Memra van God openbaarde zich aan Abraham in de vlakte van het gezicht, toen hij aan de deur van zijn tent zat op het hoogst van de dag, toen hij zich warmde vanwege het bloed van zijn besnijdenis, in de hitte van de dag. (TgNeofiti, Gen. 18:1).

In de Targum van Genesis 1 lezen we: ‘Vanaf het begin schiep en volmaakte de Memra van de Heere met wijsheid de hemelen en de aarde.’ 

Het is dus veel aannemelijker dat Johannes hierop teruggrijpt. Het wordt bij wijze van spreken elke sabbat in de synagoge zo gehoord. Johannes zegt dat het Woord, de heerlijkheid van God, waarmee God zich sinds de schepping in heel de geschiedenis van Israël openbaart, vlees geworden is. Het Woord, dat uit God voortkomt en aan God gelijk is, de Zoon, is mens geworden. Johannes en ook anderen hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd. We moeten echter nog een stap verder gaan.

De Wijsheid
Het spreken over het Woord van het begin brengt ons bij een bijzondere tekst uit het boek Spreuken. Daar wordt in hoofdstuk 8 verteld over de Wijsheid die voor de schepping aanwezig was bij God:

‘De HEERE bezat Mij aan het begin van Zijn weg,
al vóór Zijn werken, van oudsher.
Van eeuwigheid af ben Ik gezalfd geweest,
Vanaf het begin, vanaf de tijden voordat de aarde er 
was Ik bij Hem, Zijn Lievelingskind,
Ik was dag aan dag Zijn bron van blijdschap’,
Spreuken 8:22 en 30.

Het Woord valt niet helemaal samen met de wijsheid, maar is wel volkomen aanwezig in de wijsheid.

De Thora
Nog een reden waarom Johannes kiest voor logos, is dat hij naar de Torah wil. Alles wat over de wijsheid gezegd wordt, kan ook over de Thora gezegd worden. Beide zijn er al voor de schepping, beide zijn eeuwig. Door de Thora is de wereld in feite geschapen. De Thora draagt de wereld. Psalm 119:52 zegt dat de bevelen van de Heere er van eeuwigheid zijn(Letterlijke vertaling uit het Hebreeuws). Vers 93 van diezelfde psalm zegt dat zij een mens tot leven brengen en dat de Thora als een licht is (vers 105; Spr. 6:23).
Johannes wil zijn hoorders duidelijk maken dat het Woord dat in eeuwigheid bij de Vader was en zich al in de eeuwigheid heeft geopenbaard in de Thora, vlees geworden is. Jezus is meer dan een profeet, meer dan alleen een getrouwe getuige van God naast anderen. Het Woord van God, dat eeuwenlang tot Israël gesproken heeft, is nu ten volle geopenbaard in Jezus. Het is dan ook niet méér logisch om in Jezus te geloven als je ook in de Thora gelooft. Het gaat om één en dezelfde werkelijkheid.

Het Licht schijnt in de duisternis
Wat bedoelt Johannes als hij zegt dat het Licht in de duisternis schijnt en dat de duisternis het niet begrepen heeft? Je zou ook kunnen vertalen dat de duisternis het niet gegrepen heeft. En misschien bedoelt Johannes wel allebei. Het Licht heeft geschenen over de duisternis van de oerchaos, de ongevormde aarde, waar de Geest van God over de wateren zweefde. Het Licht was zó sterk dat het de duisternis verdreven heeft en de aarde vormgegeven.

Je zou ook kunnen zeggen dat het Licht is afgedaald in de duisternis van een gebroken en zondige wereld. God heeft zich na de schepping immers voortdurend opnieuw geopenbaard. Het Woord is in de wereld gekomen is, die het Woord zelf geschapen heeft, zeg maar het Zijne. En die wereld heeft het Woord van God niet begrepen, maar Israël wel. Te beginnen met Abram, die de stem van God hoorde en gehoorzaamde, en de vader werd van een heel volk. En dat dit volk ook uit God geboren is, niet alleen maar uit vlees en bloed. Abram kon immers geen kinderen verwekken en telkens, ook bij Rebekka, Lea en Rachel, opende God de baarmoeder. Dat zij, die de woorden van God aangenomen hebben, dus kinderen van God zijn. Even terzijde: sommige Grieken dachten dat een mens geboren werd uit het zaad van de vader en het bloed van de moeder.

Maar er is nog een verklaring mogelijk, en ik denk dat je het een niet tegen het ander moet uitspelen of wegstrepen. Bij Johannes is het woord wereld ook de van God vervreemde wereld.  Gaat het hier misschien om de tegenstanders van Jezus, de elite van Judea en Jeruzalem, die Zijn woorden verwerpen? Nota bene het eigen ‘volk’ van Jezus, Hij komt immers zelf ook uit de stam Juda. Zij hebben Hem niet begrepen en zij hebben Hem gegrepen alleen omdat Hij dat toestond, en uiteindelijk was daarmee alles niet afgelopen. Hij leeft, het Licht heeft geschenen door de dood heen en uit de dood. En degenen die Hem wel begrepen hebben, de Samaritanen, de mensen in Galilea en de Joden in de verstrooiing, mogen met recht kinderen van God genoemd worden.
Het gaat niet om de vraag of de anderen dan ineens geen kinderen van God meer zijn. Dat wordt helemaal niet ontkend. Ook de tollenaren en de hoeren zijn dat, hoewel ze in de andere Evangeliën meer in beeld zijn. Ook de tegenstanders van Jezus en Johannes worden niet uit Israël gestoten. Eigenlijk moet je daarvoor Romeinen 11 lezen. Daar zal Paulus concluderen dat de verkiezing van God, de trouw aan de vaderen, en de beloften die God gedaan heeft, het laatste woord hebben. Alle Joden zijn en blijven geliefden van God.

In de proloog gaat het er niet om mensen af te schrijven, maar hen die in Jezus geloven te bevestigen en anderen aan te sporen hun voorbeeld te volgen, en zo de gestalte van het Israël van de eindtijd aan te nemen. Trouwens het aannemen van het Evangelie en het opnieuw geboren worden is geen daad van mensen, maar iets dat uit God is. Hoe zou de duisternis ook het Licht aanvaarden? Dan zou zij ophouden duisternis te zijn. Die onmogelijke mogelijkheid is alleen mogelijk door God. De tegenstelling die in de verzen 11 – 13 naar voren komt, is niet de tegenstelling tussen christenen en Joden. Daar gaat het Johannes helemaal niet om.

De zogenaamde tegenstelling
Volgens Johannes heeft Israël genade op genade ontvangen (vers 16). Eerst was er de wet, gegeven door Mozes, en nu is Jezus er. Dat wordt wel vaak als een tegenstelling begrepen. Maar niets is minder waar. In sommige vertalingen staat zelfs: ‘want de wet is door Mozes gegeven maar de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen.’(Zo de NBV)
Allereerst moeten we bedenken dat de Thora ook een geschenk is, gegeven door de genade van God. Het is geen ijzeren regel die God geboden heeft om daarmee zalig te worden. Integendeel, de Heere heeft Zijn volk, na de bevrijding uit de slavernij, in Zijn liefde verteld hoe het leven voor Zijn Aangezicht geleefd moet worden in het Beloofde Land. In Exodus 34:6 lezen hoe God de woorden van genade en trouw uitroept als Mozes bij Hem is met de twee nieuwe stenen tafelen, waarop God Zijn geboden zal schrijven. In vers 6-9 komt zelfs twee keer het woord genade voor en in de inleidende woorden van de Heere in Exodus 33 zelfs meerdere keren: in vers 12, 16,17 en 19! Als Johannes dus zegt dat de genade en de trouw zichtbaar geworden zijn in Jezus Christus, zegt hij niet dat die genade en waarheid in de Thora ontbraken. Er is geen sprake van een tegenstelling maar van een aanvulling, of zoals je wilt, een intensivering. God heeft uit zijn volheid genade op genade gegeven. Eerst in het geschenk van de Thora en nu in Zijn Zoon. Als Jezus zegt dat Hij gekomen is om de wet te vervullen, bedoelt Hij dat Hij het hart van de Thora zal laten zien in al zijn genade en waarheid. Wie anders dan Hij zal dat kunnen. Hij is het Woord dat vlees geworden is.