En zij zal Hem de naam Immanuël geven

De woorden die de profeet Jesaja tot het huis van David spreekt (Jes.7:14), hebben een diepe betekenis voor Israël en voor ons.

De Heere treedt op een nog nooit vertoonde wijze het bestaan van zijn volk binnen. Het bijzondere kind dat geboren zal worden in het huis van David, zal de naam Immanuël dragen, God-met ons. God is Israël altijd dicht bij Israël geweest: door zijn Woord en door Zijn Geest en in de gestalte van de engel des Heeren maar zo komt Hij wel heel dichtbij.

We weten dat God onvoorstelbaar groot is. Hij bewoont een ontoegankelijk licht, zijn majesteit is zo groot, dat Hij een verterend vuur genoemd wordt en dat niemand de intensiteit van zijn wezen verdragen kan. Als God zich toewendt naar zijn schepping en naar zijn volk (Jes.43:7) dan openbaart Hij zich in de Zoon, de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr.1).

Maar als Jezus geboren wordt gebeurt er iets wondervol: In Jezus is God zelf op aarde aanwezig. Daarom zeggen de profeten ook van de Messias, dat zijn  oorsprong van ouds is, van de dagen der eeuwigheid. Hij wordt sterke God genoemd en eeuwige Vader. Paulus schrijft dat in Hem de volheid van God aanwezig is (Kol.1:19) en Johannes in de opening van zijn evangelie dat niemand ooit God gezien heeft, maar dat de Zoon, die aan de boezem van de Vader is, Hem ons geopenbaard heeft.

En tegelijkertijd is Jezus zoon van Maria, zoon uit het huis van David. Hij is het zaad dat de Heere aan Abram beloofde (Gen.12:3) en dat door de geslachten van Israël komende was. Hij is de twijg uit de afgebroken tronk van Isaï. Hij is God en Jood.
Maria is de maagd die de Messias baarde. Zij is de moeder des Heren, maar vertegenwoordigt ook haar volk. Het Joodse volk heeft de wereld de Heiland geschonken.

Het betekent dat we als kerk nooit mogen zeggen dat Jezus alleen bij ons is. Jezus is tot in zijn wezen verbonden met het Joodse volk en dat is nooit veranderd. Ook al is het evangelie van het Koninkrijk de wereld over gegaan en heeft het bij ons gehoor gevonden, Jezus is altijd als de Verborgene in het midden van zijn volk aanwezig gebleven. In de omzwervingen en in het lijden van Israël was en is Hij nog steeds Immanuël.

Maar het betekent ook, hoe verbijsterend dat voor ons ook is, dat een Jood de zonde van de wereld weggedragen heeft, dat een Jood aan de spits van zijn volk getreden is toen het evangelie de wereld in ging, dat Jezus als Jood zal wederkomen op de wolken van de hemel en dat de Leeuw uit de stam van Juda de troon van David zal beklimmen om te regeren over de hele wereld. En dat God aan een Jood het oordeel gegeven heeft. Ja, Hij is Gods Zoon en wat een rijkdom dat wij met Hem mogen leven, dat Hij ons door zijn Geest bewonen wil, dat wij Hem prijzen in de eredienst, dat wij met Jezus mogen. Maar niet alleen het kruis, ook de ster van David hoort bij Hem.

Jezus trekt ons als het ware naar Israël toe. Paulus schrijft in Romeinen 15 dat Jezus een dienaar van Israël geworden is om de beloften van God aan de vaderen te bevestigen. Daarmee beweegt Paulus de nieuwe gelovigen uit Rome zijn volk met respect en liefde te behandelen. Maar als hij verder schrijft, laat hij zien dat een van die beloften is dat de heidenen samen met Israël de Heere gaan verheerlijken. Daar gaat het om!: de gelovigen uit de volkeren aan de zijde van Israël in de lofprijzing van de Heere.

Ik denk dat het mooi is als wij in de dagen van Advent en het Kerstfeest niet vergeten hoezeer Christus met Israël verbonden is. Gabriël noemt Hem de Koning van Jakob, de engelen zingen over blijdschap die het gehele volk ten deel zal vallen, Hanna en Simeon spreken over de vertroosting van Jeruzalem en Zacharia profeteert dat zijn volk eindelijk bevrijd zal worden van zijn vijanden. Jezus, de Koning der koningen, was en is Immanuël.