De Weerhouder

De apostel Paulus zegt dat aan het einde zware tijden zullen aanbreken. Mensen zullen meer van genot houden dan van God. In de tweede brief aan de Thessalonicenzen spreekt Paulus over de mens van de wetteloosheid. Maar hij zegt ook dat iemand hem nog steeds weerhoudt. Wie die onbekende Weerhouder?

Het blijkt helemaal niet zo eenvoudig te zijn om die vraag te beantwoorden. Wie is bij voorbeeld de mens van de wetteloosheid, die zich aan de wereld presenteert alsof hij een god is? Blijkbaar weten de mensen aan wie Paulus schrijft meer dan wij, want hij zegt dat hij het er al vaker over gehad heeft en dat zij zelf wel weten wie die mens van de wetteloosheid weerhoudt?
De commentaren van bekende geleerden van het Nieuwe Testament proberen natuurlijk allemaal een uitleg te geven, maar die verschillen nogal van elkaar en sommigen zijn na pagina’s geschreven te hebben over het onderwerp zo eerlijk om toe te geven dat ze wel naar een bepaalde verklaring neigen maar het niet voor de volle honderd procent zeker weten.
Maar laten we bij het begin beginnen.

Het is nog niet zover!
Paulus begint ermee om de gemeente in Tessaloniki te prijzen om hun geloof, om hun volharding en om hun liefde. Die is inmiddels overal bekend. Door alle verdrukkingen te doorstaan bewijzen zij waardig te zijn voor het komende Koninkrijk. En dat zal aanbreken bij de komst van Christus. Christus zal verschijnen uit de hemel met zijn machtige engelen en het gericht voltrekken over Gods vijanden en tegelijkertijd zal Hij met bewondering aanschouwd worden door allen die tot geloof gekomen zijn.
Maar Paulus waarschuwt de christenen in Tessaloniki ook om te blijven volhouden en  niet in verwarring gebracht te worden door mensen die precies weten hoe het allemaal komt en die zeggen dat de wederkoms van Christus nabij is. Laat niemand u misleiden, zegt hij, ook niet door een zogenaamde brief van hemzelf of door een zelfbedachte uiting van de Geest.
Ik denk dat de apostel ingaat tegen iets wat van alle tijden is. Als we omkijken in de geschiedenis van de kerk zien we dat telkens weer mensen met veel kabaal en ingebeelde wijsheid vertellen hoe het zit. Mensen hebben alvast een voorproef genomen op het Koninkrijk, gedaan alsof zij de Heiland zelf waren of dan tenminste toch een van de twee getuigen en er zijn boeken vol geschreven over de eindtijd, die achteraf onzin bleken te zijn. En nog steeds gebeurt dat en ik kan mij er erg over opwinden. Als alle zelfbenoemde profeten van de laatste jaren zo eerlijk zouden zijn om hun excuses aan te bieden voor alle onvervulde profetieën of denkbeelden die zij hebben verkondigd, dan zouden we voorlopig nog niet uitgelezen zijn. Ik heb al heel wat antichristussen voorbij zien komen van Sarkozy tot Obama, van Trump tot zijn schoonzoon en er zullen er waarschijnlijk de komende jaren nog wel meer volgen. Ik heb gelezen dat in de jaren tachtig de Middellandse zee zou droog vallen.
Maar in zijn tijd zegt Paulus dat het nog niet zo laat is. Hij zegt zijn lezers dat ze hun hoofd niet op hol moeten laten brengen door fantasten. Eerst moet de afval komen en de mens van de wetteloosheid zich openbaren en die wordt op dat ogenblik, zoals iedereen blijkbaar weet, nog tegengehouden.

De mens van de wetteloosheid
Die mens van de wetteloosheid wordt ook de zoon van het verderf genoemd. Hij verzet zich tegen alles wat met God te maken heeft of wat eerbaar is en neemt zelfs plaats in de tempel van God. Die tempel is er dus blijkbaar nog of zal er dan weer zijn. Sommigen wijzen erop dat die mens van de wetteloosheid niet de satan zelf is maar zijn werktuig of zijn handlanger (zie vers 9). En ook dat de uitdrukking misschien wel een tegenhanger is van het Bijbels Mens of man Gods, waarmee de profeten uit het Oude Testament worden aangeduid. Ik ga daar in mee. Het moet een soort profeet zijn, die heel wat te vertellen heeft, maar wat hij zegt en wil gaat dwars tegen de geboden en de inzettingen van God in. De wet waarover Paulus schrijft is immers niet de wet in het algemeen of het Europese recht of iets dergelijks, maar de Torah, de wet van God. De evangelist heeft de woorden van Jezus zelf doorgegeven waarin Hij zegt dat aan het einde valse profeten zullen opstaan en dat de wetsverachting dan zal toenemen (Mat.24:11,24). Bovendien zal de liefde verkillen. Dat zal een kenmerk zijn voor de laatste tijden. De liefde is dan ook de vervulling van de Torah, daar draait het in de Torah ook allemaal om. Tegen de geboden van God ingaan betekent automatisch dat de liefde afneemt.
Maar in de tijd van de mens van de wetteloosheid zal ook de afval dus plaats vinden. Daarover schrijft Paulus in 1 Tim.4: ‘Maar de Geest zegt uitdrukkelijk dat in latere tijden sommigen afvallig zullen worden van het geloof en zich zullen wenden tot misleidende geesten en leringen van demonen, door huichelarij van leugenaars, die hun eigen geweten als met een brandijzer hebben toegeschroeid’ (vers 1 en 2).
Ik heb wel eens horen zeggen dat de wereld van de Islam hier bedoeld wordt. Nu kan niemand ontkennen dat op het tempelplein de profeet van deze religie vereerd wordt en zijn god de plaats heeft ingenomen van de God van Israël. Ik weet alleen niet of Paulus dit in gedachten heeft. Ik heb veel meer het idee dat het voor Paulus en de mensen aan wie hij schrijft veel dichterbij is. Zij kennen de weerhouder die op dat moment alles tegen houdt totdat hij uit het midden weg is. Dat laatste is trouwens ook nog even de vraag, moet de Griekse woorden in de tekst van de brief vertaald worden met totdat hij uit het midden weg is of verwijderd is. Stapt de weerhouder terug of wordt hij weggenomen? En wat betekent dat ‘uit de weg’zijn? Dat hij er niet meer is of dat hij niet langer tegen houdt. Dat is natuurlijk belangrijk bij de vraag of de weerhouder misschien wel God is of de Heilige Geest?

Het monster
Een mogelijke verklaring van de weerhouder, begint misschien uit ene onverwachte hoek, maar het staat wel dicht bij de tijd van Paulus. Het Romeinse rijk had nog maar kort te voren het afschuwelijke bewind gekend van keizer Gaius, bijgenaamd Caligula ‘soldatenlaarsje’. Hij was in feite in Rome ‘de eerste onder zijn gelijken’, de zogenaamde princeps, de vertegenwoordiger van het hoogste gezag, de senaat, maar hij had zich aangesteld als een monster. Talloze senatoren waren door hem vermoord, omdat hij iets tegen hen had, of omdat hun kleding hem niet aanstond, of gewoon uit moordlust. Hij had zich overal gepresenteerd als een nieuwe god en had bestaande afbeeldingen van goden laten voorzien van zijn eigen portret. Ook in Jeruzalem had hij huisgehouden. Toen de Joden, volgens de beschrijving van Flavius Josephus een altaar voor de keizer in Jabne hadden neergehaald, had hij besloten een beeld van zichzelf in de tempel van Jeruzalem te plaatsen om zich daar te laten vereren als god. De gouverneur die met de uitvoering daarvan belast werd, zag de bui al hangen en probeerde tijd te rekken, maar uiteindelijk kwam het er toch van, waarop de Joden weigerden de oogst binnen te halen. Dat het er uiteindelijk niet van kwam, had alles te maken met het feit dat Gaius de beslissing nam om de hoofdstad van het Romeinse rijk te verplaatsen naar Egypte. De praetoriaanse garde maakte daarop een einde aan zijn leven in het jaar 41 n.Chr. Caligula die slechts vier jaren had geregeerd werd opgevolgd door keizer Claudius, een rustige keizer die de zaken weer tot rust moest brengen, maar de grote vraag was voor hoelang? Door het optreden van Caligula die alle wetten aan zijn laars lapte was de weg geëffend voor latere keizers die voor hem niet zouden onderdoen. Claudius werd in het jaar 54 vermoord door een complot waarin zijn geadopteerde zoon een grote rol zou spelen en die zoon was Nero! Het is deze keizer die in het boek Openbaring wordt afgebeeld in het getal 666 en die de grote oorlog met Jeruzalem zal beginnen in het jaar 66. Tijdens zijn bewind zal Paulus ook omkomen in Rome.
Als je dit zo leest, dan past het in het schrijven van Paulus hier. Zeker ook omdat het Latijnse naam van Claudius verwantschap heeft met het werkwoord claudo wat versperren en weerhouden betekent!
Het probleem van deze verklaring is dat Nero maar ten dele beantwoord aan de beschrijving van de mens van de wetteloosheid in 2 Thessalonicenzen en dat Christus in zijn tijd niet verschenen is. Door de kerkvaders werd echter wel de kant van het Romeinse rijk uitgekeken. Daar zou zich de valse profeet openbaren en grootmaken.

De binding van de Satan
Een andere uitleg die we tegenkomen is dat God de weerhouder is en dat het gaat om een periode dat de Satan gebonden is. Probleem met deze visie is, is dat de Satan niet weerhouden wordt maar de mens van de wetteloosheid en wat we ons moeten voorstellen bij die zin van Paulus dat het net zolang duurt totdat ‘hij uit het midden verdwenen is.’ Dat is de vertaling van de Herziene Statenvertaling en door ‘hij’ met een kleine letter te schrijven geven de vertalers al aan dat daarmee niet God bedoeld is.
Ook de NBG van 1951 denkt die richting niet in door te vertalen met ‘totdat hij die op het ogenblik weerhoudt, verwijderd is’.
Datzelfde geldt ook voor de variant dat het de Heilige Geest zou zijn die weerhoudt. Er wordt in de Bijbel nergens gesproken over een tijd dat de Heilige Geest er niet meer is, Hij blijft voor eeuwig.
Nog een andere visie is dat het gaat om de prediking van Paulus. Daarvan zijn de gemeenteleden in Tessaloniki getuigen. Zij kennen het werk van Paulus, maar uit de eerste brief die in dezelfde periode geschreven is, weten wij dat het zijn verwachting is dat hij tot de komst van Christus zal blijven leven (1 Tess. 4:17). Hij verwacht met degenen die zijn opgestaan Jezus in de lucht tegemoet te gaan.
Ook het idee dat Paulus denkt dat de gemeente verwijderd wordt en dat dan de wetteloosheid vrij spel heeft, is denkbeeldig. In de opening van deze brief heeft Paulus juist gezegd dat de gelovigen hier op aarde zijn als Christus met zijn engelen de tegenstanders van God zal richten en de mens van de wetteloosheid. Bovendien gaat het niet alleen om de openbaring van de mens van de wetteloosheid maar daarin ook om de grote afval en die levert niet in de eerste plaats een gevaar op voor de ongelovigen maar voor de volgelingen van Jezus. Over dat gevaar lazen we hier boven al.

Conclusie
Wat overblijft is dat de weerhouder een macht is die in de tijd van Paulus aanwezig is en die in de samenleving de overhand heeft, zo kun je het Griekse woord ook vertalen. Op zijn tijd zal God die macht wegnemen zodat de mens van de wetteloosheid zijn gang kan gaan, maar dat niet alleen, maar ook zijn einde tegemoet kan gaan. Het is een periode waarin God niet afwezig is, maar zelfs een geest van dwaling stuurt onder hen die niet willen geloven. En het is een tijd die ook christenen zullen meemaken, vandaar Paulus bemoedigende woorden aan het einde van het hoofdstuk: ‘Sta dan vast, broeders, en houd u aan de overleveringen waarin u onderwezen bent door ons woord of door onze brief’(vers 15). De hele teneur van de brief is daar ook naar (zie ook 2 Tess.3:6).

Epiloog
Wij lezen de brief bijna tweeduizend jaar later en we proberen te verstaan hoe God ons erin aanspreekt. Is de tijd waarover Paulus spreekt uitgesteld? En is zij uitgesteld om dat God in zijn geduld wilde dat het evangelie overal zou doordringen?
Is de weerhouder misschien nog steeds aanwezig en moeten we het antwoord opnieuw, net zoals de Vroege kerk deed, zoeken in de hoek van de politiek? Gaat het om de aanwezigheid van bepaalde vormen van regering waardoor het kwaad binnen de perken blijft? Nog niet eens gevoed door vroomheid of liefde voor God maar door de wil om samen te leven en te overleven.
Wat er tegen spreekt is dat die politieke begrenzing van het kwaad door de macht van de democratie of die van vorstenhuizen of partijen in de geschiedenis som gruwelijk doorbroken is door tomeloos geweld en bloedvergieten. Denk alleen al aan de oorlogen van de vorige eeuw.
Of moeten we denken aan de Joodse-christelijke moraal die de samenleving gereguleerd heeft eeuwen lang, althans in Europa en grote delen van de wereld.
Of om het misschien nog anders te zien, en sommige theologen denken die kant op, gaat het om de engelenmachten die in de onzichtbare wereld hun invloed hebben op de verschillende naties?

Wat Paulus hier ook zegt is dat weliswaar de mens van de wetteloosheid zich nog niet geopenbaard heeft maar dat het geheimenis van zijn wetteloosheid al werkzaam is. Dat is in elk geval iets wat ook wij bemerken. De zonde en de rebellie tegen al wat God is heeft, wordt steeds tastbaarder. Zeker ook in ons continent.
De secularisatie heeft om zich heen gegrepen en ik weet niet hoe de traditionele kerken er over tien jaar zullen uitzien. En dat geldt niet alleen voor de traditionele kerken. Ook de jonge kerken lopen gevaar als zij de geest van genot oogluikend toelaten of als zij de mens meer centraal stellen dan God. Natuurlijk vermomd in vroomheid. De mens van de wetteloosheid mag dan wetteloos zijn maar hij is niet dom.

Maar ook in de moraal en in de politiek vallen gaten. De geest van de tijd rebelleert steeds openlijker tegen de Heilige Geest, voorbeelden te over.
Eigenlijk komen we hiermee terug op hét thema van de Tessalonicenzenbrief en van dit nummer van Profetisch Perspectief: Volhard door waken en bidden. En dat doen we door het Woord van de Heere te stellen boven alles. Gods Woord is de waarheid. Dat doen we door ons bewust te zijn dat God ons wil leiden door zijn Geest, dat doen we ook door bewust ons leven te leven voor zijn aangezicht. Ik las pas Psalm 16 en daar staat het prachtig omschreven, in mijn eigen vertaling: ‘Al het goede voor mij is bij U’ en ‘Ik stel mij de Heere voortdurend voor ogen’ (vers 2b en 8a).